>

koempel

koempel

Zeurende senioren en zwarte Piet

De burgemeester van Den Helder schrijft iedere week een column in de lokale Zondagskrant. Op zondag 9 oktober schreef hij over ‘de ouderen van tegenwoordig’, waar hij eigenlijk geen goed woord voor over had. Onze redacteur Jan van de Nes besloot daarop om hem op een nette manier de oren te wassen:

Geachte heer Schuiling,

Met enige verbazing heb ik kennis genomen van uw column in de Zondagskrant van zondag 9 oktober op de gemeentelijke voorlichtingspagina. Ik schaar mij namelijk onder de Ouderen Van Tegenwoordig sinds ik de leeftijd van (bijna) 72 jaar heb bereikt. Ik voel mij alleen al op grond daarvan door u aangesproken. En ik wil u graag een weerwoord geven.

U begint met op te merken dat mensen van mijn generatie ‘zoveel meer tijd hebben dan elke generatie voor ons’. Ik vraag mij af wat het verschil is ? In de tijd die mijn (onze) ouders en schoonouders beleefden nadat ze de 65 gepasseerd waren en de tijd die mijn vrouw en ik nu ten deel valt. Mocht u bedoelen dat wij na ons 65e levensjaar niet meer of dan toch minder hoeven te werken voor ons brood, dan moet ik u corrigeren.

Want velen van “ons” zijn gedwongen dóór te werken (minstens tot hun 67e) omdat wij – niet allen, maar die generalisatie laat ik graag aan u over – niet zo van ons senioreninkomen kunnen leven als we graag zouden willen. Daarover aanstonds meer, want ik volg graag uw hartekreten in uw column.

Zeuren over Zwarte Piet eerst maar eens  . Ik wil er graag op attenderen dat “wij ouderen” niet zeuren over Zwarte Piet. Wij zeuren over de ons inziens onterechte discussies over discriminatie, die door sommige Nederlandse burgers wordt gevoerd rond een inmiddels bijna tweehonderd jaar oude traditie. Zwarte Piet is in (in ieder geval) mijn ogen géén discriminatie figuur maar een karikatuur van een kindervriend. Expres weergegeven in een volstrekt van de realiteit afwijkend uiterlijk om toch vooral te laten zien dat het hier om een fantasie-persoonlijkheid gaat. Maar er is meer. Zwarte Piet prikkelt de fantasie van de kinderen. Mijn half-Antilliaanse neefje van toen 5 (nu 36) “zag” Zwarte Piet het dak op klauteren wanneer wij eind november in het schemerdonker van het huis van zijn Oma en Opa naar Den Helder terug reden. Hij “zag” overigens op tweejarige leeftijd in iedere gekleurde man en vrouw zijn Papa (die vaak van huis was) en liep later apetrots in zijn Pietenpak met geschminkte rode lippen naar school. Trok bewonderende blikken van klasgenootjes en vond het op 12-jarige leeftijd prachtig om bij kinderen uit de buurt te mogen komen strooien en de zak met cadeautjes naar binnen sjouwen.

Nee, wij zeuren niet om Zwarte Piet, wij zeuren om het nakende verlies van Zwarte Piet. Om het verlies van de bijbehorende romantiek. Eigenlijk – als je heel diep graaft – zeuren wij ouderen over het verlies van stukjes cultuur, die simpelweg verdwijnen door de verandering in de maatschappij. Die wordt multi-cultureler – wat ook wij prima vinden – maar ook zakelijker en individualistischer en daarmee verdwijnen die heerlijke nostalgische elementen uit onze kindertijd en uit de tijd dat onze kinderen nog klein waren. Dat betreuren wij en dat proberen wij te behouden. Onbeholpen weliswaar maar door te zeuren – door er aandacht voor te vragen – proberen wij de periode tussen half oktober en 6 december levend te houden. Wie in die periode door kinderen betrokken wordt in de ‘real life soap’ die Sinterklaas heet – door aangesproken te worden als Zwarte Piet omdat je een donkere huidskleur hebt – zou zich gelukkig moeten prijzen dat hij of zij een rol mag vervullen in dat kindergeluk. Wij ouderen betreuren het dat sommigen van deze bevolkingsgroep zich daardoor gediscrimineerd voelen. Wij vrezen dat zij zich door veel (andere) uitingen tegenover hen gediscrimineerd voelen. Daar is de real life soap van het Sinterklaasfeest eigenlijk slechts een peuleschil bij.

Dan zegt u dat wij senioren ontevreden zijn in een van de rijkste landen ter wereld. Dat we boos zijn over van alles en nog wat waarvan u niet weet wat onze onvrede is en waarom we die hebben. We klagen volgens u steen en been maar worden ouder dan ooit. Gezonder ook. En we raken volgens u bevreesd wanneer we op het levenslang pensioen tien euro per maand moeten inleveren. Zegt u. Nou, ook hier wil ik u wel even uitleggen waarom we waarover klagen (als dat tenminste werkelijk zo is).

Ja, we worden steeds ouder. De generatie vóór ons ook. Mijn moeder en mijn schoonvader haalden dik de 91 en mijn vrouw en ik hebben goede vriendinnen van respectievelijk 91 en 88 die geestelijk nog heel vitaal zijn. Lichamelijk gaat het wat minder (met lopen en zo) maar dat hoort hij het ouder worden. Daar zeurt men niet over. En ja, er is een groep senioren die zeurt over dat tientje. Dat is dan wel die hele grote groep mensen (en het zijn helaas niet alleen senioren, ook jongere uitkeringstrekkers vallen er onder) die hun koopkracht de afgelopen vijftien, zestien jaar heeft zien dalen. Die hetzij door hun leeftijd, hetzij door hun persoonlijke situatie niet in staat zijn die koopkracht door arbeid met een (ander, hoger) inkomen te verbeteren.

Ik geef u twee relatief simpele voorbeelden. Vóór de invoering van de euro waren de lonen gemiddeld (netto) 2500 tot 3000 gulden per maand. Daar moest de huishuur van af van pakweg 600 gulden en de kosten voor energie. Laten we die op 150 gulden zetten, want ‘s winters verstookte je in de jaren zestig-zeventig meer gas om het niet-geïsoleerde huis warm te houden dan tegenwoordig. Na de invoering van de euro werden alle prijzen en kosten (ook de inkomens) min of meer gehalveerd. Het rekent iets gemakkelijker om daarvan uit te gaan dan van die omreken-eenheid van twee gulden twintig en nog wat.

We zijn pakweg 15 jaar verder. De inkomens zijn nauwelijks toegekomen (en dan praat ik over die enorme groep van eenverdieners met een bijna modaal inkomen zoals – helaas – veel senioren) maar de prijzen zijn teruggekeerd naar het niveau dat ooit een gulden was. Want de huishuur is nu gemiddeld 600 euro en de energiekosten schommelen bij velen rond de 130 euro. Die bedragen moeten niet betaald worden vanuit een inkomen (pensioen!) van 3000 euro (wat je zou verwachten, gezien de prijsontwikkeling) maar uit een inkomen van rond de 1750 euro netto. En dáár, heer Schuiling, ligt de bron van het “gezeur”. Daar kunt u niets aan veranderen. Dat behoren uw politieke collegae in Den Haag te doen. Die durven er echter hun vingers niet aan te branden, want het zou weleens het einde kunnen betekenen van de innige vriendschap tussen de goed verdienende politici en de dito kopstukken uit de (financieel) economische wereld.

Kijk, dit brengt mij dan tegelijk op uw opmerking in de column over “het stemmen door senioren op partijen die de jeugd toekomst afnemen”. Wat een onzin, meneer Schuiling. De toegenomen populariteit van de seniorenpartijen komt mijns inziens niet omdat de senioren de jeugd iets willen afnemen maar omdat ze merken dat de maatschappij meer dan ooit gericht is op de jeugd. Waar nog gevulde winkelstraten zijn, puilen die uit van de kledingwinkels die heel erg trendy en jeugd-gericht zijn. De reclame op TV en elders richt zich – terecht overigens, want zij zijn de motor van de huidige economie – op de twintigers en dertigers. Ook de politiek maakt zich druk om hen. Zij krijgen van alle kanten te horen dat zij nú hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun toekomst (pensioen?) omdat die financieel-technisch minder rooskleurig lijkt te zijn dan het heden van de huidige senioren.

En daar zit de kern. Want ons heden behoort hún toekomstplaatje te zijn. Inderdaad, onze toekomst (toen wij twintigers en dertigers waren) was relatief somber. Het beeld van de armoede van vóór de Tweede Wereldoorlog overheerste in onze jeugd in de jaren vijftig. Samen met de vakbonden en politieke partijen “van toen” hebben wij een betere (financieel economische) wereld gerealiseerd. Met hogere inkomens, meer en betere gezondheids- en sociale zorg.

Waar dus nu grote delen van de wereld met enige afgunst naar kijken. Waarvan de jongeren van nu zich afvragen of zij datzelfde niveau zullen hebben wanneer zij onze huidige leeftijd hebben. Geldt natuurlijk ook voor uzelf, heer Schuiling, ook u gaat zo langzamerhand de kant van de senior op. Dat is een natuurwet…

Maar betekent dit nu dat wij senioren politieke partijen hebben doen verschijnen die er alleen maar op uit zijn om de belangen van de huidige senioren veilig te stellen ten koste van de huidige jongere generaties? Het lijkt mij niet. De nieuwe seniorenpartijen proberen alleen maar de ontwikkelingen zodanig bij te sturen dat zowel de senioren als de jeugd de kans krijgen om te genieten van een langzaam afnemende welvaart. Beetje eerlijk verdelen, heet zo iets, naar ik meen. En niet de karig geworden welvaart van de huidige senioren afsnoepen om “iets leuks” te doen voor de jeugd van nu respectievelijk voor de senioren van straks.

Wij senioren van nu hebben hard gewerkt om de huidige algemene welvaart te realiseren. Wij zien met lede ogen dat het ons wordt afgenomen door verslechterde zorg in bijvoorbeeld verpleegtehuizen, door het verdwijnen van zorg in bejaardentehuizen en door het afnemen van de koopkracht. Daartegen komen wij in opstand en dat doen we via die seniorenpartijen.

Wat mij rest in dit schrijven is u complimenteren met uw tekst in de column inzake de fantastisch presterende jeugd. Ook wij senioren genieten van hun prestaties en vinden dat zij welverdiend in het zonnetje worden gezet. Zij zullen (en doen dat ook) alles wat wij vroeger gezaaid hebben, nu oogsten. En zij zullen opnieuw zaaien. Voor degenen die weer na hen komen. Dat is die natuurwet, heer Schuiling.

Weet u, die cyclus bestaat echt. Ooit waren wij jong en keken we met enige afgunst naar degenen vóór ons “die het gemaakt hadden”. Wij droomden óók van een goed betalende baan, zo’n mooie auto, zo’n mooi huis. Maar wij moesten er nog aan en voor werken.

Wij waren blij voor onze grootouders dat zij konden genieten van een vast (levenslang, weet u) inkomen als gepensioneerden. En wij droomden misschien alvast van ons pensioen op (toen!) 48-jarige, 50-jarige, 55-jarige of in ieder geval 65-jarige leeftijd. Het hing er maar van af in welk beroep je werkzaam was geweest.

Wij zijn helaas bedrogen uitgekomen. Mogen wij daar dan af en toe een keertje over zeuren?

Vind ik leuk: