Inhaalslag vereist voor achterblijvende eurolanden

Datum19 januari 2012
ThemaEuropa
Inhaalslag vereist voor achterblijvende eurolanden

Na de totstandkoming van de EMU is de prijsconcurrentiepositie van vooral Zuid-Europese eurolanden fors verslechterd, wat niet meer via een devaluatie van hun nationale munt gecorrigeerd kan worden. Deze verslechtering van de concurrentiekracht is een van de onderliggende oorzaken van de Europese schuldencrisis. De oplossing van dit probleem is een inhaalslag op gebied van flexibiliteit en efficiency op de arbeids- en productmarkten in de achterblijvende eurolanden.

Arbeidskosten per eenheid product divergeren ….

Een eenvoudige en daardoor veelgebruikte indicator voor de concurrentiekracht van een land zijn de arbeidskosten per eenheid product. Tabel 1 bevat hiervan een overzicht, waarbij voor alle landen de waarde in 1970 op 100 is gesteld. De divergentie is bijzonder groot. In Duitsland liggen de arbeidskosten per eenheid product in 2010 slechts tweeënhalf keer hoger dan in 1970. Ook in Oostenrijk en Nederland is sprake van een relatief beperkte stijging. In Griekenland daarentegen is bijna sprake van een vertachtigvoudiging (!), terwijl ook in Portugal de arbeidskosten per eenheid product relatief sterk zijn gestegen.

Tabel 1  Arbeidskosten per eenheid product

           1998                 2010    
Index

1970=100

RankingIndex

1970=100

Ranking
Duitsland248,81255,21
Oostenrijk292,83325,42
Nederland275,52353,053
België380,84477,14
Frankrijk453,45562,2 *5
Finland573,56710,76
Ierland758,57951,0 *7
Italië1235,181642,28
Spanje1381,391847,4 *9
Portugal3450,0104560,110
Griekenland5517,1117905,211

Bron: OECD. * 2010 o.b.v. Eurostat-data.

….. ook na invoering van de euro

De ranking van landen naar de mate waarin de arbeidskosten per eenheid product sinds 1970 zijn gestegen is in 1998 vrijwel gelijk aan die in 2010. Toch is er in het EMU-tijdperk (1998-2010) meer veranderd dan op het eerste gezicht het geval lijkt. Dit wordt zichtbaar als de arbeidskosten per eenheid product in 2010 worden berekend met 1998 als basisjaar (zie figuur). Allereerst valt op dat de mate van divergentie veel kleiner is dan voorheen, ook als wordt gecorrigeerd voor de lengte van de periode. Toetreding tot de EMU heeft dus wel degelijk disciplinerend gewerkt. Maar tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat in Duitsland niet alleen in de periode 1970-1998 de arbeidskosten per eenheid product het minst sterk zijn gestegen, maar dat dat in het EMU-tijdperk nog steeds zo is. En in Zuid-Europese landen stegen voor 1998 de arbeidskosten per eenheid product relatief sterk en ook dat is in het EMU-tijdperk nog steeds het geval.

Grafiek 1 Arbeidskosten per eenheid product

Devaluaties niet meer mogelijk

In het pre-EMU tijdperk konden landen hun verslechterde prijsconcurrentiepositie corrigeren door hun nationale munt te laten devalueren. Op die manier konden inflatoire landen voorkomen dat ze zich volledig uit de markt prijsden. Na toetreding tot de EMU was dit niet meer mogelijk. Bij de invoering van de euro zijn echter onvoldoende waarborgen en mechanismen ingebouwd om structurele verschillen in prijsconcurrentieposities te voorkomen en/of te corrigeren. De voortgaande verslechtering van de prijsconcurrentiepositie van landen als Griekenland, Portugal, Spanje en Italië heeft het structurele groeivermogen van deze landen zodanig verminderd, dat beleggers zijn gaan twijfelen of de ontwikkeling van de overheidsschuldquote wel houdbaar was. De economische groei is namelijk een van de factoren die hiervoor bepalend is. De gerezen twijfel heeft geleid tot hogere door de overheid te betalen rentes op staatsobligaties van de betreffende landen, wat hun schuldhoudbaarheid verder verslechterde. Dit is een van de onderliggende oorzaken van de Europese schuldencrisis.

Oplossing

Het traditionele correctiemechanisme (wisselkoersaanpassingen) is voor deze eurolanden niet meer beschikbaar. Dus moet op andere wijze de concurrentiekracht in deze landen worden hersteld. Om de arbeidskosten per eenheid product in Zuid-Europese landen te verlagen en daarmee hun prijsconcurrentiepositie te verbeteren is het noodzakelijk om de barrières die de benodigde loonaanpassingen en arbeidsproductiviteitsstijgingen in de weg staan te slechten. Uit diverse rapporten, zoals de Global Competitiveness Index van World Economic Forum, volgt dat op het gebied van arbeidsmarkt- en productmarktflexibiliteit in de betreffende landen nog een wereld te winnen is. Zo varieert de ranking (met 1 als beste en 142 als slechtste land) die World Economic Forum toekent aan de efficiëntie op de arbeidsmarkt in de Zuid-Europese landen van 119 in Spanje tot 126 in Griekenland. Tegelijkertijd kan worden gewezen op de succesverhalen in Duitsland, waar de Harz-hervormingen tussen 2002 en 2005 de arbeidsmarkt hebben gerevitaliseerd en de prijsconcurrentiepositie hebben versterkt. Ook de relatief grote flexibiliteit van de arbeids- en productmarkt in Ierland heeft ervoor gezorgd dat de prijsconcurrentiepositie na 2008 aldaar substantieel is verbeterd met relatief gunstige groeivooruitzichten als gevolg.

Een alternatieve optie die soms naar voren wordt gebracht is om de arbeidskosten per eenheid product in landen als Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Finland te verhogen. Ook langs die weg wordt immers het verschil in concurrentiekracht tussen de eurolanden onderling kleiner. Dit is om meerdere redenen echter geen goed idee. Allereerst vermindert het de druk op de landen met een slechte concurrentiepositie om de benodigde hervormingen door te voeren. Bovendien verslechtert hierdoor de prijsconcurrentiepositie ten opzichte van concurrenten buiten het eurogebied. Dit zou weliswaar door een devaluatie van de euro kunnen worden tegengegaan, maar dit heeft als groot nadeel dat de inflatie in het gehele eurogebied zal oplopen. Het is niet verstandig om in een groep met achterblijvende en goed presterende leerlingen het prestatieverschil tussen beide categorieën leerlingen te verminderen door de ‘goede leerlingen’ slechter te laten presteren. De beste oplossing is om te proberen de achterblijvende leerlingen bij te spijkeren en een inhaalslag te laten maken zonder dat dit ten koste gaat van de prestaties van de goed presterende leerlingen. Niet alleen de achterblijvers, maar ook de ‘goede leerlingen’ moeten na hun schooltijd immers ´concurreren´ met kinderen van andere scholen. Net zoals bedrijven in bijvoorbeeld Duitsland en Nederland ook moeten concurreren met bedrijven uit onder andere de VS, het VK en opkomende markten.