CI%20-%20Bulletin%20Pensioen_tcm46-342803.jpgPensioenstelsel

Een persoonlijk pensioenvermogen en een leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid zijn noodzakelijke bouwstenen om te komen tot een duurzaam stelsel.Dit voorkomt discussie tussen generaties over wie recht heeft op welk deel van het pensioenvermogen en vermijdt het doorschuiven van tekorten naar toekomstige generaties. Het verkleint bovendien de kans op kortingen voor ouderen en geeft jongeren uitzicht op een hoger verwacht pensioen.

Verzwakte positie pensioenfondsen legt structurele kwetsbaarheden bloot

De afgelopen jaren zijn de kwetsbaarheden van het huidige stelsel bloot komen te liggen. Zo zijn de verwachtingen van deelnemers over een zeker en waardevast pensioen de laatste jaren niet waargemaakt. Ouderen worden onvoldoende beschermd tegen kortingen. Voor jongeren wordt soms juist te weinig risico genomen, wat leidt tot een lager verwacht pensioen. Daarnaast is er sprake van ondoorzichtige en moeilijk uitlegbare herverdeling tussen generaties, die het draagvlak voor ons pensioenstelsel ondermijnt. Dit is het gevolg van de doorsneesystematiek en de weinig doorzichtige verdeelregels die inherent zijn aan het huidige stelsel. De verzwakte financiële positie van pensioenfondsen illustreert denoodzaak om afscheid te nemen van de huidige uitkeringsovereenkomst.

Voor een nieuw pensioencontract onderscheidt DNB twee belangrijke bouwstenen: een persoonlijk pensioenvermogen en een individueel leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid.

Bouwsteen 1: Een persoonlijk pensioenvermogen zonder doorsneesystematiek

Een persoonlijk pensioenvermogen is een individuele pensioenrekening. Hierop worden premies en positieve rendementen bijgeschreven en uitkeringen en negatieve rendementen in mindering gebracht. Deelnemers delen daarnaast een aantal risico’s, zoals de kans dat een deelnemer langer of juist korter leeft dan verwacht of de kans dat een deelnemer arbeidsongeschikt wordt. Als een deelnemer korter leeft dan verwacht dan krijgen de nabestaanden een nabestaandenpensioen. Als de deelnemer arbeidsongeschikt wordt, dan kan deze zo pensioen blijven opbouwen. Het resultaat hiervan wordt ook bijgeschreven of onttrokken. Een deelnemer ziet zo precies hoeveel vermogen hij opbouwt. Dit geeft duidelijkheid en voorkomt discussies tussen generaties over wie recht heeft op welk deel van een collectief opgebouwd pensioenvermogen. Het pensioen is bovendien gemakkelijker overdraagbaar bij wisseling van pensioenfonds.

Daarnaast maakt een persoonlijk pensioenvermogen een einde aan de ondoorzichtige herverdeling van de doorsneesystematiek, waarin jongeren teveel premie betalen en ouderen te weinig. Het afschaffen van de doorsneesystematiek maakt het ook makkelijker om op den duur keuzevrijheid in de pensioenopbouw te faciliteren, indien de politiek besluit dit mogelijk te maken.

In het huidige stelsel is het uitgangspunt van de pensioenopbouw een uitkering die de deelnemer bij pensionering ontvangt. Hoewel dit het idee geeft van een zeker pensioen, blijkt dit in de praktijk steeds vaker niet of nauwelijks waar te maken, of alleen tegen hoge kosten. Bij tegenvallers moeten pensioenfondsen de premie verhogen. Dit is veelal onhoudbaar, omdat het pensioenvermogen door de vergrijzing toeneemt ten opzichte van de loonsom. Wat resteert, is geheel of gedeeltelijk afzien van indexatie of het korten van de pensioenuitkering bij langdurige tekorten. Om dit af te wenden is de verleiding groot om meer beleggingsrisico te nemen. Dat maakt pensioenen echter nog onzekerder, wat vooral in het nadeel is van gepensioneerden. Een andere verleiding is het aanpassen van de spelregels om de financiële positie van pensioenfondsen gunstiger voor te stellen. Ook dat is onwenselijk: tekorten schuiven dan door naar toekomstige generaties. Een contract op basis van een persoonlijk pensioenvermogen is veel minder gevoelig voor deze verleidingen. Bovendien is het makkelijker om de premies te stabiliseren op een niveau dat past bij de ambitie die sociale partners afspreken.

Kortom: een persoonlijk pensioenvermogen adresseert de fundamentele kwetsbaarheden van het huidige stelsel. Dit verandert echter niet de economische omgeving en creëert geen extra middelen om de huidige tekorten te financieren. Wel worden de inherente onzekerheden van het huidige pensioenstelsel geëxpliciteerd. Het is van groot belang om deelnemers goed te informeren over hoeveel vermogen zij opbouwen en wat de bijbehorende risico’s op tegenvallers zijn. Dit helpt bij het maken van een goede financiële planning.

Bouwsteen 2: een individueel leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid

Het persoonlijke pensioenvermogen kent een individueel leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid. Het beleggingsrisico wordt afgebouwd naarmate de deelnemer ouder wordt. Dit beschermt ouderen beter dan nu tegen kortingen en geeft jongeren uitzicht op een hoger verwacht pensioen. De uitvoering vindt overigens nog steeds collectief plaats om schaalvoordelen te behouden.

In het huidige stelsel voeren pensioenfondsen een collectief beleggingsbeleid dat voor alle deelnemers, jong en oud, hetzelfde is. De mogelijkheden om de genomen risico’s optimaal te verdelen tussen jongeren en ouderen zijn te beperkt. In fondsen met veel jonge deelnemers (groene fondsen) staan ouderen bijvoorbeeld aan te veel risico’s bloot. Andersom worden voor jongeren in fondsen met veel oudere deelnemers (grijze fondsen) soms te weinig beleggingsrisico’s genomen.

Persoonlijke pensioenvermogens zijn desgewenst aan te vullen met een collectieve buffer. Door rendementen op het vermogen van deelnemers en gepensioneerden in goede tijden opzij te leggen, ontstaat een buffer om op in te teren in slechtere tijden. De regels over het opbouwen en uitdelen van de buffer worden vooraf vastgelegd, waarbij er niet meer uitgekeerd kan worden dan er aan buffers is opgebouwd. Dit stabiliseert de pensioenuitkering bij schommelingen in rendementen of in de levensverwachting, zonder de rekening vooruit te schuiven. Het is belangrijk dat de omvang van de buffer niet te groot is. Omvangrijke buffers beperken een leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid en roepen de vraag op wie er recht heeft op welk deel van de buffer.

Ten slotte is het van belang dat de transitie naar een nieuw stelsel op een evenwichtige wijze plaatsvindt. Dit vergt zorgvuldige analyse en besluitvorming. Het is zaak om hier zo spoedig mogelijk mee te beginnen.