Het echte probleem van het huidige financiële stelsel is het verdienen van geld met geld. In Londen kwam op 28 mei 2014 een wel zeer bijzonder gezelschap bijeen om de toekomst van het kapitalisme te bespreken. Onder de genodigden waren de Britse Prins Charles, Christine Lagarde (IMF), Lynn Forester de Rothschild, Bill Clinton en Mark Carney (ex governor Bank of England). Samen vertegenwoordigden de aanwezigen volgens de BBC een vermogen van zo’n 30 biljoen dollar.

Hoe verder met het kapitalisme? Lynn Forester de Rothschild, de organisatrice van de conferentie, stelde in haar speech vast dat het kapitalisme de wereld veel goeds heeft gebracht, maar nu is doorgeschoten en ontaard is in een ongelimiteerde graaicultuur ten koste van de aarde en alles wat erop leeft. Prins Charles sprak de hoop uit dat het kapitalistische systeem een socialer en (vooral) milieuvriendelijker gezicht zou worden gegeven. Christine Lagarde verweet de banken onethisch gedrag en dat ze niets lijken te hebben geleerd van de financiële crisis. Ook sprak ze over het probleem van de toenemende inkomensongelijkheid. Deze is volgens Lagarde niet alleen slecht voor de wereldeconomie, het breekt ook de samenleving op. Er werd gepleit voor een ‘inclusief kapitalisme’, waarmee werd bedoeld een kapitalisme voor iedereen en niet voor enkelen. Groeiende inkomensongelijkheid Uit de woorden die zijn uitgesproken op de conferentie kan de conclusie worden getrokken dat de rijken der aarde zich zorgen maken. Lagarde wijst op de groeiende inkomensongelijkheid. Dit is echter slechts een symptoom van wat er fundamenteel mis is met het systeem. Het huidige financiële stelsel heeft een tweedeling veroorzaakt tussen de grote meerderheid van mensen die werken voor het geld en een kleine minderheid die geld voor zich laat werken. De laatste methode van inkomensverwerving is veel lucratiever dan de eerste, vooral als hiervoor een vermogen van minstens een miljoen euro kan worden ingezet. Bovendien komt vooral de kwalitatieve werkgelegenheid steeds meer in het gedrang. Door de technologisering van de samenleving wordt inkomen uit arbeid steeds verder teruggedrongen. Omdat de grote meerderheid geen vermogen bezit en voor het verwerven van inkomen is aangewezen op werk, staat het inkomen van de meeste mensen onder druk. Dit groeiende probleem wordt niet opgelost doordat ‘beleggers hun horizon gaan verleggen van een onderdeel van een seconde –flitshandel- naar meerdere jaren’, zoals Forester de Rothschild voorstelt. Het helpt ongetwijfeld om de excessen van het geld met geld verdienen te verminderen, maar de basis blijft in stand. Het echte probleem. Het kernprobleem van dit financiële stelsel is het verdienen van geld met geld. Door geld voor zich te laten werken heeft een verhoudingsgewijs kleine groep mensen een enorm vermogen opgebouwd. De 85 –zichtbaar- rijksten van de wereld bezitten meer vermogen dan de helft van de wereldbevolking. Dit vermogen is vooral gevormd doordat banken geld door schuld scheppen. Elke euro die door banken uit het niets wordt gecreëerd leidt tot een euro schuld. Die schuld wordt aangegaan door mensen die geen vermogen hebben –anders zou men immers geen banklening opnemen om bijvoorbeeld een huis of een auto te kopen-. Als je de hele lijn van schuldenaars en schuldeisers doortrekt, dan kom je uiteindelijk uit bij die kleine groep die schuldeiser is van de rest. Prof. Margrit Kennedy en Dr. Herbert Creutz concludeerden uit onderzoek, dat 80% van de bevolking netto betaler is aan 10%, of met andere woorden 10% is netto schuldeiser van 80% en 10% krijgt even veel als men betaalt. Die betalingen bestaan niet uitsluitend uit directe rentebetalingen; ze zitten vooral opgesloten in de prijzen van de goederen en diensten. Gemiddeld 45% van alle prijzen bestaat uit rente ‘opgesloten’ in het product of de dienst, die dus vloeit van de grote meerderheid naar de kleine minderheid. Vermogensverschillen in Nederland Het gevolg hiervan is, dat het vermogen bij de rijkste 10% van de bevolking van willekeurig welk land toeneemt, onafhankelijk van de staat van de economie. Nederland vormt hierop geen uitzondering. OP financieel gebied gebeurt er momenteel heel veel. Door de moeilijke positie van de banken vlucht het kapitaal, naar de ondernemingen die volume en zekerheid bieden. Voor de banken is dit een goedkope manier van het wegzetten van hun geld en het verminderen van hun risico’s. Dat betekent dat het merendeel van het MKB verstoken blijft van het broodnodige overbruggingskrediet. Het verkorten van de wettelijke betalingstermijn heeft daar niet aan bijgedragen. Ondernemers zoeken naar mogelijkheden om deze lacune op te vullen. Investeerders met veel geld gebruiken hun positie om fikse rentepercentages te vragen. Vanuit het individuele perspectief begrijpelijk, voor onze economie is het desastreus. Op korte termijn misschien nog niet direct merkbaar, maar op de langere termijn zeker wel.