Extra buffervereiste vergroot de weerbaarheid van Nederlandse systeembanken

CI-kapitaalbuffers_tcm46-306987

De financiële crisis heeft geleerd dat problemen bij grote banken forse schade kunnen toebrengen aan de economie. De Nederlandsche Bank (DNB) wil daarom een extra kapitaalbuffervereiste instellen van 3 procent van de naar risico gewogen activa bij ING Bank, Rabobank en ABN AMRO Bank en van 1 procent bij SNS Bank.

Deze banken moeten deze extra kapitaalbuffer aanhouden omdat zij een cruciale rol spelen in het financiële stelsel en het leeuwendeel van de financiële diensten aan de reële economie verzorgen. Door de hogere buffers zijn de banken beter in staat om onverwachte verliezen op te vangen. De banken mogen deze buffers geleidelijk opbouwen tussen 2016 en 2019.
Nieuwe Europese regelgeving maakt het mogelijk om grote en systeemrelevante banken extra kapitaalbuffers op te leggen om hun weerbaarheid te vergroten. Voor Nederland is dit erg belangrijk. De bankensector is met een omvang van ruim vier maal het jaarlijkse bruto binnenlands product (bbp) namelijk een stuk groter dan het Europese gemiddelde van zo’n drie keer het bbp. Bovendien is de concentratiegraad hoog: de grootste banken domineren de sector in belangrijke mate, waardoor de impact van eventuele problemen op het financiële stelsel en de economie extra groot is.

Hoe beoordeelt DNB wat een systeembank is?

DNB bepaalt of banken systeemrelevant zijn aan de hand van een aantal criteria. Ten eerste kijkt DNB naar de grootte van een bank ten opzichte van het Nederlandse bruto binnenlands product en ten opzichte van andere banken (omvang). Problemen bij grote banken hebben immers de grootste potentiële impact op de economie. Vervolgens analyseert DNB in hoeverre banken verweven zijn met het financiële systeem (verwevenheid). Als die verwevenheid groot is, kan er bij problemen snel besmetting ontstaan naar andere financiële ondernemingen. Banken kunnen met elkaar of met andere financiële instellingen verweven zijn via leningen of derivaten. Nederlandse banken zijn daarnaast nauw met elkaar verweven via het depositogarantiestelsel: als een bank onverhoopt failliet gaat, moeten de andere banken meebetalen voor de gedekte deposito’s. Verder kijkt DNB of banken cruciale functies vervullen die niet gemakkelijk kunnen worden overgenomen door andere partijen (vervangbaarheid). Denk hierbij bijvoorbeeld aan het beheer van financiële infrastructuur en het verstrekken van leningen aan Nederlandse huishoudens en het midden- en kleinbedrijf. Ook wordt gekeken of er belemmeringen bestaan bij het afwikkelen van banken die niet langer levensvatbaar zijn (afwikkelbaarheid). En daarnaast analyseert DNB in hoeverre het doen en laten van een bank kan leiden tot onwenselijke gedragseffecten op de financiële markten. Wanneer banken een vergelijkbaar bedrijfsmodel hebben, kan het falen van één bank bijvoorbeeld leiden tot vertrouwensverlies in soortgelijke banken.

Welke banken zijn op dit moment systeemrelevant?

ING Bank, Rabobank en ABN AMRO (de grootbanken) zijn op al deze aspecten door DNB als het meest systeemrelevant beoordeeld. Elke individuele grootbank heeft een omvang van meer dan 50% van het Nederlandse bbp; voor ING en Rabobank is dit zelfs meer dan 100%. Ook zijn de drie grootbanken sterk met elkaar en met andere (internationale) financiële instellingen verweven. Tot slot verzorgen ze samen het merendeel van de kredietverlening aan Nederlandse huishoudens (85%) en bedrijven (60%). Per saldo zijn de drie banken ongeveer even systeemrelevant. Hoewel ING het grootst is, zijn de activiteiten van Rabobank en ABN AMRO bijvoorbeeld weer relatief lastig te vervangen door andere partijen. Deze banken verstrekken namelijk relatief veel leningen aan Nederlandse bedrijven.
Naast de drie grootbanken is SNS Bank ook systeemrelevant, met name op het aspect verwevenheid. Nederlandse consumenten hebben relatief veel spaargeld bij deze bank ondergebracht en bovendien is een groot deel van dit spaargeld verzekerd via het depositogarantiestelsel. Daarnaast is SNS Bank een belangrijke speler op de markt voor hypotheken. SNS Bank is echter minder systeemrelevant dan de drie grootbanken. Dit komt bijvoorbeeld doordat de bank een stuk kleiner is en een minder groot deel van de diensten voor de reële economie verzorgt.

Wat is de bijbehorende buffer?

Omdat de drie grootbanken zo systeemrelevant zijn heeft DNB besloten hen een extra buffer van 3% van de risicogewogen activa aan te laten houden. Voor SNS Bank zal dit 1% zijn, omdat de bank om bovenstaande redenen minder systeemrelevant is dan de grootbanken. Banken mogen deze buffers tussen 2016 en 2019 geleidelijk opbouwen. De buffervereisten komen bovenop de andere kapitaaleisen in deEuropese regels die beogen banken weerbaarder te maken. Hiermee zal het kernkapitaalniveau (het kapitaal van de hoogste kwaliteit) in de toekomst op ten minste 10% van de risicogewogen activa komen te liggen voor de drie grootbanken en op 8% voor SNS Bank. Deze percentages kunnen in de praktijk nog verder oplopen wanneer sprake is van excessieve kredietverlening en vanwege kapitaalopslagen uit hoofde van de tweede pilaar risicobeoordeling. Als de winsten van banken de komende jaren meegroeien met de huidige macro-economische vooruitzichten, dan zijn zij naar verwachting in staat aan alle eisen te voldoen en kunnen zij de kredietvraag accommoderen. [noot 1]

Hoe verhouden de systeembuffers zich tot andere maatregelen?

Waar de systeembuffers vooral gericht zijn op het voorkomen van faillissement van een systeembank, werkt DNB op zowel nationaal als internationaal niveau ook aan complementaire maatregelen gericht op het beperken van de impact van een faillissement van een bank. Zo stellen het ministerie van Financiën en DNB op dit moment resolutieplannen op die ervoor zorgen dat banken beter kunnen worden afgewikkeld bij faillissement. Daarnaast treedt uiterlijk per 2016 zogenoemde bail-in in werking, waarmee invulling wordt gegeven aan de Europese richtlijn voor herstel en afwikkeling van banken. Tijdens de crisis bleven crediteuren van banken die in problemen kwamen, grotendeels buiten schot. Door bail-in worden bankverliezen in eerste instantie afgewenteld op de aandeelhouders en crediteuren. Dit heeft als voordeel dat de belastingbetaler wordt ontzien. Daarnaast verdwijnt hierdoor de impliciete overheidsgarantie waar grote systeemrelevante banken nu nog van profiteren.