DNB-pand

DNB heeft het risicobeheer voor een deel van haar dienstverlening aan Nederlandse banken aangescherpt. Door met ingang van 1 november onderpand hiervoor in een apart depot te plaatsen en hieraan bovendien strengere eisen te stellen, loopt DNB minder risico op verliezen. Het gaat hier om diensten die een veilige en efficiënte werking van het betalingsverkeer beogen. De voorwaarden waaraan banken moeten voldoen om leningen te krijgen van het Eurosysteem – die andere belangrijke vorm van dienstverlening van DNB en andere centrale banken – zijn niet veranderd. Onderpand speelt een cruciale rol in de activiteiten van DNB. Banken moeten effecten als zekerheid inbrengen om van de dienstverlening van DNB gebruik te kunnen maken. Dit als dekking tegen eventuele verliezen door bijvoorbeeld een faillissement van de debiteur.

DNB levert drie belangrijke diensten aan de banken. Ten eerste de monetaire krediettransacties. Dat zijn de leningen die het eurosysteem, waarvan DNB uitmaakt, verstrekt aan de commerciële banken. Deze vertegenwoordigden een waarde van ongeveer EUR 24 miljard euro per einde 2012. Ten tweede, de intraday kredieten voor de soepele werking van het betalingsverkeer in Target2 in het eurosysteem, waarvan de waardes overdag fluctueren maar einde dag per definitie nul zijn. Ten derde biedt DNB eigen faciliteiten aan, die erop gericht zijn de veiligheid en efficiëntie van het Nederlandse betalings- en effectenverkeer te versterken. De belangrijkste faciliteit is het garantiemodel, waarbij DNB onderpand blokkeert dat Nederlandse banken bij DNB aanhouden, als zekerheidsstelling voor de afwikkeling van effectentransacties. Een andere faciliteit betreft de distributie van chartaal geld: doordat banken bankbiljetten van DNB aanhouden in plaats van deze telkens van en naar DNB te transporteren, wordt op transport bespaard. Het risico dat DNB loopt doordat de bankbiljetten niet in haar bezit zijn, wordt gedekt door een blokkade van onderpand van de banken. Deze derde categorie diensten, is met ruim EUR 2 miljard beperkt in omvang. Tot november van dit jaar werd een deel van het onderpand dat werd ingebracht voor de monetaire krediettransacties gebruikt als zekerheid voor de laatst genoemde dienstencategorie, vanuit hetzelfde onderpanddepot.

Maar als er één depot is, zijn als gevolg van gemaakte afspraken in het Eurosysteem, mogelijke vorderingen van DNB uit hoofde van deze eigen faciliteiten achtergesteld in vergelijking met mogelijke vorderingen uit hoofde van monetair beleid. Tegelijkertijd kan DNB voor deze vorderingen niet rekenen op verliesdeling binnen het Eurosysteem, die wel geldt voor de monetaire faciliteiten en de Target2 intraday kredieten. Om de risico’s voor de eigen faciliteiten beter te kunnen beheersen, heeft DNB besloten tot een separaat depot zodat er geen onduidelijkheid is over rechten op onderpand van DNB bij eventuele vorderingen. Een separaat depot heeft het mogelijk gemaakt om eigen voorwaarden te stellen aan het onderpand dat voor deze faciliteiten mag worden ingebracht (het zogeheten onderpandraamwerk). Voor de monetaire taken wordt het onderpandraamwerk door het Eurosysteem vastgesteld en dat heeft de afgelopen jaren door de crisis een significante verruiming ondergaan, voornamelijk gedreven door behoefte aan extra onderpand van instellingen uit perifere landen, en nodig voor financiële stabiliteit.

Voor de eigen faciliteiten geldt dit niet, zodat DNB met een separaat onderpanddepot met eigen raamwerk het risicobeheer voor de eigen faciliteiten zelfstandig en stringenter kan uitvoeren. Aanscherping richt zich op marktconformiteit en kredietrisico Bij de creatie van een gescheiden onderpanddepot voor eigen faciliteiten is een afzonderlijk onderpandraamwerk opgesteld. Dit onderpandraamwerk is scherper dan dat van het huidige monetaire raamwerk, dat de afgelopen jaren op een aantal punten is verruimd. Deze verruimingen zijn niet overgenomen in het raamwerk voor de eigen faciliteiten. Zo wordt de minimale eis voor kredietrisico – de minimale rating waaraan een titel moet voldoen wil het als onderpand mogen worden ingebracht – op A- gesteld, in plaats van BBB-. Ook wordt de uitzondering op de BBB- ratingvereiste voor overheids-gegarandeerde obligaties van probleemlanden voor het eigen raamwerk niet overgenomen. Bovendien wordt de tijdelijke acceptatie van obligaties in buitenlandse valuta voor het monetaire beleid evenmin gevolgd. Verder staat DNB in het eigen raamwerk ongedekte obligaties, uitgegeven door financiële instellingen, en door de overheid gegarandeerde bankobligaties, niet toe.

Tot slot worden credit claims zonder Nederlandse overheidsgarantie evenmin in het eigen raamwerk geaccepteerd. De waarderingen en haircuts van het beleenbare onderpand blijven gelijk aan die voor het onderpand voor monetaire transacties. Impact op banken in Nederland is beperkt De banken in Nederland houden kwalitatief goed onderpand aan bij DNB en bovendien in ruime mate. Zowel door de kwaliteit als de hoeveelheid onderpand is de impact van het aangescherpte raamwerk voor de meeste banken beperkt. Enkele banken die een kleine impact ondervonden hebben ondertussen ander onderpand in het separate depot geplaatst, waardoor ook zij de faciliteiten van DNB kunnen blijven gebruiken.